Een warme Hoeve aan den Weg Bosloop

Hoeve aan den weg bosloop
Hoe warm het was en hoe ver…….

warmIn Oude Willem hadden zich 118 lopers ingeschreven om 3, 6, 8, 16 of 20 kilometer op deze prachtige zaterdagmorgen te gaan lopen. Oude Willem, de tweede thuishaven van Jan en Josefien Kooistra en dus van SV Friesland, een buurtschap op een steenworp afstand van Diever, ontleent zijn naam, voor wie het geloven wil, aan een nogal dictatoriale en excentrieke schaapherder die tussen Wateren en Diever met zijn schaapskudde heerste over de heidevelden.
Tot het allerlaatste moment twijfelde ik of ik de 10 dan wel 16 kilometer te lijf zou gaan. De doorslag gaf uiteindelijk dat het meerendeel van mijn metgezellen van Loopgroep Sneek voor de 10 gingen. Eenmaal, na nauwelijks een kilometer, onderweg prees ik mij gelukkig met dat besluit. Want wat was het drukkend warm!

Het startschot heeft geklonken. Een handjevol toeschouwers zwaait ons uit. Welgemoed gaan we op weg. Er vormt zich onmiddellijk een kopgroep die zich in de prijzen wil lopen, maar de meesten onder ons zetten zich bedaagd in beweging. Zij maken zich geen illusie om gelijk Lau en Bau in de Tour, eeuwige roem te behalen door bij de eerste tien te eindigen. Wij gaan “gewoon” onderweg naar de finish. Maar wie nu al aan de eindstreep denkt, maakt het zich zelf onnodig moeilijk en het is vragen om de man met de hamer. Zie eerst maar eens in je eigen ritme te komen, want dan loop je met plezier en daar gaat het toch voor het grootste deel om. Alhoewel……, je wil natuurlijk ook wel een “leuke tijd” neerzetten. Spraakzaam is niemand om mij heen, het geroffel van schoenen op het asfalt en het gehijg van diegenen waarmee ik in een groepje loop, is het enige geluid. We hebben het al snel warm, zweetdruppels parelen op de gezichten, de eerste natte plekken in de shirtjes worden snel zichtbaar, terwijl we nog maar nauwelijks onderweg zijn. Van de eerste drinkpost, na een tweetal kilometers, wordt niet veel gebruik gemaakt stel ik vast. Dat ik daar later spijt van krijg, weet ik dan vanzelfsprekend nog niet. We slaan links af het smalle bospad op. Inhalen wordt moeilijk, niet alleen omdat het pad niet breed genoeg is, maar vooral door de brandnetels aan weerszijden, die vaak ook nog wat overhangen. Dus in ganzenpas en het tempo maar wat aanpassen aan de groep. De warmte wordt met elke honderd meter voelbaarder. Het water stroomt ons over het gezicht, de benen voelen zweterig aan, muggen en vliegen schijnen dat lekker te vinden.
Als we even later een open plek in het bos in lopen is het alsof ik een klap in mijn gezicht krijg. Een verzengende en drukkende hitte valt over mij heen en niet alleen over mij, getuige de hoorbare reacties van de anderen. We weigeren nog om er aan toe te geven. Maar bij de volgende open plek, na zo’n vijf kilometer, is het gebeurd met het tempo. Om te overleven, schakelen we terug naar een lagere versnelling. Opnieuw prijs ik mij gelukkig dat ik “maar 10 kilometer ver hoef”. De groep valt uit elkaar. Samen met een van de anderen van mijn loopgroep loop ik verder. Hoe het de rest vergaat achter ons onttrekt zich aan onze waarneming. We hebben de handen vol aan ons zelf.

We zijn pas op de helft. We wisselen geen woord meer. De benen worden nog zwaarder, het gezicht wordt roder en roder, het zweet stroomt, het shirt is zeiknat. We zakken letterlijk en figuurlijk in. Een drinkpost, we stoppen en drinken gulzig. Nog geen honderd meter verder kan ik al niet meer geloven dat ik wat gedronken heb. Een vennetje, of is het Fata Morgana? Het is echt, mijn metgezel heeft het ook waar genomen. Zullen we ……….? Wat lijkt het me heerlijk om even een paar passen opzij te maken en door het water te ploeteren. Maar natuurlijk gaan we “gewoon” door. We zijn niet de enigen die het moeilijk hebben. Ook bij de anderen binnen ons gezichtsveld is de aftakeling duidelijk zicht- en merkbaar. Een enkeling wandelt. We worden ingehaald door een vrouw in het geel. We haken aan, zij het met moeite. Plotseling slaat ze linksaf het bos in. We hebben haar niet meer terug gezien.
Op 6 kilometer passeren we opnieuw een wandelende hardloper, hij heeft er de brui aan gegeven. In het voorbij gaan laten we door middel van een handgebaar weten dat we met hem mee voelen.

fokkesukke-hitteWij houden elkaar op de been. We zuchten en steunen af en toe duidelijk hoorbaar en klagen dat het verschrikkelijk warm en zwaar is. Ons denken wordt beheerst door vermoeidheid, stijve benen, door het verlangen naar het einde, door de nog af te leggen afstand. Ik heb geen oog meer voor de omgeving. Ik vraag me af hoe het de anderen van onze loopgroep vergaat, lopen ze nog bij elkaar of ploeteren zij in eenzaamheid voort?
Gelukkig nog maar drie kilometer. Een drinkpost, water, drinken, een bekertje over het hoofd uitgestort, heerlijk en hup weer verder. We komen moeizaam weer in een acceptabel ritme en voor de zoveelste keer weten elkaar te vertellen dat het zwaar en warm is, maar ook …….. dat het einde met iedere stap naderbij komt. “Ik wou die finish eindelijk weleens in zicht krijgen”, verzucht ik. De benen gaan automatisch, de een voor de ander, wat kan hardlopen mooi zijn, maar nu even niet.

Eindelijk de laatste bocht en dan nog een meter of 75 met het zicht op de finishboog. We besluiten gelijktijdig over de eindstreep te gaan, we hebben elkaar tenslotte door dik en dun gesteund. We zijn niet de eersten die “thuis” komen, maar zeker ook niet de laatsten. We hijgen uit, we drinken water, bouillon en nemen een schijf sinaasappel. Heerlijk, we komen weer bij. Tevredenheid overheerst, de “ellende” is snel vergeten. Een voor een druppelt de rest van onze groep binnen. Allemaal met het zelfde rode en bezwete gezicht om een paar tellen later opgelucht en tevreden te vertellen over hoe warm en zwaar het was.

Alle vrijwilligers worden weer bedankt voor hun inzet, want ondanks onze vermoeidheid kijken wij met voldoening en zonder spijt terug op een uurtje hardlopen in mooie omgeving.

Meeloper

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.